Gandiva

Het is mei, 1945. Terwijl de Nederlandse bevolking viert dat zij bevrijd was van de fascistische overheersing, maakten de kapitalisten en haar regering zich om andere zaken druk. Daar in het oosten, in Indië, hadden de Nederlandse kapitalisten al zo’n 300 jaar geplunderd en gekneveld. Met de bezetting van de kolonie door het Japanse imperialisme, was zij deze kolonie zo goed als kwijtgeraakt. De vrijheidsdrang van het Indonesische volk om de ketenen van het imperialisme van zich af te werpen was nu de grootste angst van de koloniale ministers in Nederland. In dit stuk willen we dieper ingaan op de achtergrond van deze koloniale roofoorlog, en op de rol van de communisten in het strijden voor de onafhankelijkheid van Indonesië.

 

Economische en politieke achtergrond

De Indonesische archipel is een gebied dat al zeer lange tijd een grote rijkdom kent. Specerijen, mineralen, gewassen – alles groeit en bloeit er op. In de 15e eeuw, voordat de koloniale machten zich in het gebied waagden, was er al sprake van uitgebreide handel tussen de verschillende eilanden. Op Java en Sumatra bevinden zich verschillende belangrijke handelsknooppunten, die handel drijven met onder andere China, India, zelfs tot Afrika en het Arabische schiereiland. Goud, zijde, sandelhout en veel andere goederen werden door het hele gebied verhandelt. Ook is er sprake van een hoge ontwikkeling van de techniek op het gebied van scheepvaart en scheepsbouw. Ook op religieus gebied wordt veel aan uitwisseling gedaan, wat vaak gepaard gaat met uitwisseling van kennis en wetenschap. Dat zien we aan de verspreiding van het Hindoeïsme en Boeddhisme in de Indonesische archipel, religies die grotendeels vervangen worden door de Islam aan het einde van de 16e eeuw.

Met de ontwikkeling van het kapitalisme in Nederland gaat deze opkomende bourgeoisie de wereld over op jacht naar winstgevende goederen en markten. Ze laten hun oog daarmee vallen op “Oost-Indië” en knopen handelsrelaties aan met lokale feodale vorsten. De Hollandse kolonialen, zoals bijvoorbeeld een slavendrijver in de verfilming van het boek “Max Havelaar” van Multatuli, beweerden dat er “zonder ons hier geen enkele moer van terecht komt”. De arrogantie zit er bij de koloniale bourgeoisie al vroeg in.    Het koloniale kapitalisme versterkte echter wel de elementen van de kapitalistische handel en de productie van bepaalde waren voor de wereldmarkt. Aan de andere kant zorgt het voor een vertraging van de ontwikkeling “door op gewelddadige wijze de oude feodale uitbuitingsmethodes ten opzichte van de boeren in stand te houden, en de oude feodale heersers voor hun roofdoeleinden te benutten”[1]

Enkele avonturiers worden zeer rijk van de roof en verkoop van dure oosterse specerijen in Nederland, bijvoorbeeld kruidnagel uit de Molukken. De oprichting van de VOC geeft de Nederlandse bourgeoisie een vehikel om te handelen, wat ook inhoudt: liegen, bedriegen, stelen, plunderen, roven en moorden. De mannelijke bevolking van de Banda-eilanden worden bij een conflict compleet uitgeroeid, de vrouwen en kinderen van het eiland tot slaaf gemaakt. De communistische ingenieur Sebald Rutgers, die een marxistische geschiedenis van Indonesië heeft geschreven, schrijft: “…hierbij treft de mengeling van wreedheid, verraad en schijnheiligheid, die de Nederlanders van de 17e eeuw bij hun koloniale expansie kenmerkt.”[2] We kunnen stellen dat tot het einde van de bezetting van Indonesië, deze kenmerken niet verloren zijn gegaan.

 

Opkomst Indonesische bourgeoisie

Ondanks het dappere verzet van de Indonesische bevolking door de eeuwen heen, die bijna onafgebroken plaatsvindt, lukt het de Nederlandse kolonialen om stukje bij beetje meer delen van de Indonesische archipel te veroveren. Een van de kenmerken, naast de wrede onderdrukking door het koloniale apparaat zelf, die het zo lastig maakte om het kolonialisme te verslaan, was de verdeeldheid van de boerenstand, en de neiging van Indonesische feodale heren om vooral voor hun eigen belangen op te komen. Immers was het voor hen vooral zaak om hun horigen voor zich te laten werken. Echt belang om tegen het kolonialisme te vechten hadden ze meestal niet, behalve wanneer de koloniale overheerser zich op hun terrein begaf.

Langzaam begonnen ook in Indonesië kapitalistische verhoudingen in de productie zich te ontwikkelen.[3] Met de opkomst van de spoorwegen wordt “het tijdperk van het kapitaal” ingeluid. De koloniale bourgeoisie is verdeeld over de betekenis hiervan. Enerzijds is het voor de nieuwe industrieën en de technologieën die ontwikkeld werden nodig om mensen wetenschappelijk op te leiden – ze konden hierbij niet volledig afhankelijk zijn van alleen Nederlanders of Indo’s. Een deel van de koloniale bourgeoisie begon te pleiten voor het beter opleiden van (met name van oorsprong adellijke) Indonesiërs. Uiteraard werden deze rechten ook afgedwongen door deze laag Indonesiërs zelf. Het is onder meer uit deze omstandigheden dat er een jonge, intellectuele burgerij begint te ontstaan, die zich richt op een vooruitzicht van een onafhankelijk, modern Indonesië.[4]

Nederlandse en Indische kolonialen zagen hun positie hiermee bedreigd en verzetten zich hevig tegen deze “Ethische politiek”, zoals deze genoemd werd. Onder andere de fascistische politieke partij NSB (Nationaal-Socialistische Beweging) vond haar steunpunt onder deze groep reactionairen. De koloniale bourgeoisie was niet van plan om de archipel op te geven. Ooit, zeiden ze, wanneer de tijd rijp is, dan zal er wellicht onafhankelijkheid komen. Voor nu moest de bevolking zich vooral houden aan “rust en orde”, en zich laten “beschaven” door de superieure Europeanen. Dit was het excuus om Indonesië en haar bevolking als bron voor uitbuiting te kunnen blijven gebruiken.

 

Verenigd verzet

De “salvo’s van de Oktoberrevolutie” in 1917 inspireren ook in Indonesië mensen om in verzet te komen. Hoewel er nog maar een kleine arbeidersklasse was, werd deze groep zich steeds meer bewust van haar positie. Met name in de spoorwegen en in de suikerindustrie begon men stakingen te organiseren tegen de erbarmelijke arbeidsomstandigheden. Men maakte regelmatig 14 tot 16-urige werkdagen, vaak onder onveilige en ongezonde omstandigheden. Bovendien bestonden er nog sterke feodale “horige” kenmerken in de cultuur, die zijn weerslag hebben op de economische verhoudingen. Zo moesten arbeiders op sommige plekken jongkok (knielen) en sembah (een groet waarbij men de handen voor het gezicht houdt en het hoofd buigt) maken voor hun bazen. De vakbeweging begint te groeien in het verzet tegen deze toestanden.

In 1914 was al de “Indische Sociaal-Democratische Vereeniging” opgericht door onder anderen de Nederlandse socialist Henk Sneevliet. Deze werd in 1920 omgedoopt tot Communistische Unie van Indië en weer later tot de Partai Komunis Indonesia (Communistische Partij van Indonesië). Vanaf het begin werden er banden opgebouwd met de CPN in Nederland, de enige partij die pleitte voor de onmiddellijke, volledige onafhankelijkheid van Indonesië van Nederland. Communistisch leider en vakbondsman Semaun werd tijdens zijn bezoek in Nederland door juichende communistische arbeiders op de schouders genomen.

In 1923 werd Semaun gearresteerd door de koloniale autoriteiten. Dit triggerde een staking over heel Java bij de spoorwegarbeiders, die Semaun vertegenwoordigde. 10.000 arbeiders staakten het werk, en daarbij braken ook nog solidariteitsstakingen uit in andere sectoren.[5] Het koloniale regime drukte deze staking hard de kop in, maar het onvermijdelijke konden ze niet tegenhouden. Dit leidde tot een tijdperk van vernieuwd reactionaire politiek. In 1926 brak er een opstand uit onder leiding van de PKI. Ook deze opstand wisten de koloniale autoriteiten met bruut geweld te onderdrukken; duizenden Indonesische revolutionairen werden gearresteerd, verbannen naar het concentratiekamp Boven-Digoel op Papoea, of geëxecuteerd. De PKI werd ondergronds gedwongen. Ook werd in 1933 een staking van Indonesische en Nederlandse arbeiders op het schip “De Zeven Provinciën”, waarbij o.a. CPN’er Maud Boshart betrokken was, gebombardeerd door de regering. Hierbij kwamen velen om het leven.

 

Indonesia merdeka!

Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bezette imperialistisch Japan Indonesië. Onder het misleidende motto “Azië voor de Aziaten” proberen de Japanse imperialisten hun werkelijke doel te maskeren: het koloniseren van Indonesië voor zichzelf. Nadat Japan wordt verslagen proclameert Sukarno, leider van het burgerlijk-nationalistische verzet, de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië op 17 augustus 1945. De Nederlandse regering probeert vrijwel onmiddellijk de kolonie weer “veilig te stellen”, onder het mom van de vrede bewaren. De nieuw uitgeroepen republiek noemen ze van “Japanse makelij”, omdat Sukarno een compromis had gesloten met de Japanners.[6]

In 1946 werden troepen uitgezonden door de regering Schermerhorn-Drees naar Indonesië om “de ware democratie” te brengen, tegen de “chaos” van de republiek. Jongens die vaak amper hun dorp in Nederland uit waren geweest, moesten nu vanuit een pas bevrijd land een ander land gaan bezetten. Vrijwel alleen de CPN en haar achterban, maar ook een deel van de achterban van de sociaaldemocratische SDAP (die nota bene in de regering zaten!) en leden van de NVV (de vakvereniging) verzetten zich tegen deze koloniale oorlog. Bij protesten tegen de uitzending werd met scherp geschoten op demonstranten. “Weigeraars” hing een lange gevangenisstraf boven het hoofd. Piet van Staveren, die in 1947 werd uitgezonden, liep over naar de Indonesische kant, en werd in 1949 tot een lange gevangenisstraf in Nederland veroordeelt. Een campagne geleid door de CPN om hem te bevrijden had in 1954 succes.

De CPN besloot om haar politiek aan te passen, en probeerde nu ervoor te zorgen dat er ook communisten in de rangen van het uitgezonden leger terecht kwamen, zodat die onder de soldaten politiek werk konden verrichten tegen de koloniale oorlog. Onder anderen de CPN’ers Jaap Duppen en Joop Morriën zijn enkele bekende voorbeelden van deze lichting.

De Nederlandse regering probeerde haar positie militair te verstevigen, en tegelijkertijd tot een “politieke” oplossing te komen. Hierdoor werden onder andere de overeenkomst van Linggadjati en de Renville overeenkomsten gesloten, terwijl de schermutselingen doorgingen. Indonesië werd ook steeds meer een speelbal van het Amerikaanse imperialisme, dat kans zag om daar zelf te profiteren. Hier komt ook het sprookje vandaan dat Indonesië alleen maar onafhankelijk is geworden “door de hulp van de Amerikanen”. In feite ging het hier om inter-imperialistische concurrentie – de Nederlandse bourgeoisie mocht niet langer het alleenrecht hebben op de toegang tot Indonesië.

Dit alles ging gepaard met anticommunistische ophitsing. Voortdurend werd er gesproken over het “communistische gevaar” dat dreigde.[7] Ook onder de Indonesische nationalisten bevonden zich reformistische en reactionaire elementen die het liever op een akkoordje gooiden met de imperialisten, dan een socialistische revolutie in Indonesië zien gebeuren. De Indonesische generaal Nasution, die later ook een rol zou spelen in de massamoorden op communisten in 1965, “zuiverde” zijn troepen van communisten in opdracht van de Amerikanen.[8] In 1948 bereidden enkele divisies een grootschalige aanval voor op verschillende communistische strijdkrachten. Toen twee divisies werden ontwapend in de regio Madiun uit voorzorg, gebruikten Nasution, maar ook Sukarno en Hatta (vice-president op dat moment) dit als pretext om de communisten aan te vallen. Duizenden communisten werden vermoord, waaronder Musso, die lid was van het Centraal Comité van de PKI.

Ondertussen raakt de Nederlandse regering steeds meer geërgerd over de toenemende rol die de Verenigde Staten spelen in Indonesië, en de “republikeinse activiteit” op “haar” grondgebied “provoceerden”. Dit was voor Drees de aanleiding om de “tweede politionele actie” aan te kondigen – wij spreken van de tweede koloniale oorlog. De VN Veiligheidsraad veroordeelt de oorlog, evenals de CPN in de Tweede Kamer als enige partij. Binnen de PvdA (ontstaan als fusie van de SDAP met enkele kleinere partijen) wordt kritiek op de oorlog beantwoord met royement of een beroep op “het bewaren van de eenheid”.[9] De CPN-fractie wees toen al op de berichten dat Nederlandse strijdkrachten in Indonesië ernstige oorlogsmisdaden begingen, waaronder het martelen van gevangenen, het doden van ongewapende mensen en het in brand steken van desa’s (dorpen). Decennia na de oorlog mocht hier in Nederland niet over gesproken worden, al helemaal niet in de media. Een van de meest gruwelijke oorlogsmisdadigers was Raymond Westerling, die van de Nederlandse regering een carte blanche kreeg om huis te houden op Celebes (nu Sulawesi). Westerling ontketende een contraterreur tegen de Indonesische revolutionairen die hem de bijnaam “de slager van Celebes” opleverde. Ook probeerde hij in Bandung een coup te plegen tegen de republiek, die jammerlijk faalde.

De Nederlandse regering ziet zich uiteindelijk onder druk van de Indonesische vrijheidsstrijders gedwongen om een soevereiniteitsoverdracht te tekenen in december 1949. Een belangrijke rol daarin speelde ook de druk van de internationale gemeenschap. Na de oorlog hadden naast de Sovjet-Unie nog een reeks andere landen zich losgerukt uit het imperialistische systeem en begonnen ze met de opbouw van het socialisme, waarmee een sterk blok ontstond dat tegenover de koloniale machten stond en de antikoloniale bewegingen steunde.

Nederland zal echter nog lang proberen om zoveel mogelijk invloed in Indonesië te behouden. Ontkenning of bagatellisering van oorlogsmisdaden gaat door tot de dag van vandaag. Wanneer er gesproken wordt over oorlogsmisdaden, dan wordt dat alleen gedaan in de context van excessen. Maar het waren juist de “niet-excessen”, het koloniale systeem zelf, dat deze misdaden kon faciliteren. In dit jaar, dat we 75 jaar vrijheid vieren, eren wij de Indonesische vrijheidsstrijders, in het bijzonder de communistische revolutionairen, die met grote moed het juk van het Nederlandse kolonialisme van zich af hebben geworpen.

 

 

[1] S.J. Rutgers, Indonesië, p. 51-52

[2] S.J. Rutgers, Indonesië, p. 57

[3] Zie o.a.: D.N. Aidit Lessen uit de geschiedenis van de PKI. 1960

[4] T. Shiraishi An Age in Motion: Popular Radicalism in Java, 1912-1926. 1990

[5] J. Ingleson In Search for Justice: Workers and Unions in Colonial Java, 1908-1926. 1986

[6] J. Morriën Indonesie los van Holland – De CPN en de PKI in hun strijd tegen het Nederlandse Kolonialisme, 1982, p. 108-109

[7] Morrien, p. 145

[8] Ibid, p. 147

[9] Morriën, p. 157