Anton Hofmann

De economische crisis die volgt op de corona-uitbraak is volgens sommigen het begin van ‘de terugkeer van de staat’, die de afgelopen decennia veel terrein heeft verloren aan de markt. Zo zei de nobelprijs winnende econoom Joseph Stiglitz in mei dit jaar: “Men beseft nu dat de overheid essentieel is voor ons welzijn. De overheid beschermt ons. Dat kunnen we gewoon niet zelf.”[1]

Ook hebben we gezien dat burgerlijke regeringen in veel landen grepen naar staatsinterventie om de consequenties van de crisis voor het kapitaal te beperken. Zelfs de VVD, die zich de afgelopen jaren profileerde als de grootste voorstander om zoveel mogelijk aan de markt over te laten, heeft het volgende in haar verkiezingsprogramma opgenomen: “In plaats van de rol van de overheid te verkleinen, zal de komende tijd juist een sterke actieve overheid nodig zijn om ons te beschermen…”[2]

Is de ‘terugkeer van de staat’ goed nieuws? Om die vraag te beantwoorden kunnen we de hulp inschakelen van Lenin, door zijn boek Staat en Revolutie te bestuderen, wat hij geschreven heeft in de zomer van 1917. De insteek is dan om niet alleen kritische vragen te stellen over stellingen zoals die van Stiglitz en de VVD, maar ook om de voortdurende relevantie van Lenin’s werk aan te tonen. Niet alle thema’s uit het boek zullen besproken worden, de focus zal liggen op de klassenanalyse van de staat.

 

Staat en klassen

Lenin baseert zijn klassenanalyse van de staat op inzichten van Marx en Engels. Zij stellen dat de rol van de staat in de eerste plaats het in bedwang houden van de onderdrukte klassen is, in het voordeel van de heersende klasse. Waar de staat in de middeleeuwen ervoor zorgde dat de arme horige boeren konden worden uitgebuit door de adel, zorgt de staat onder kapitalisme ervoor dat de bourgeoisie veilig het proletariaat kan uitbuiten.

Maar kunnen wij in Nederland in de 21e eeuw nog wel van deze klassenverschillen spreken? Zijn de beroemde termen ‘bourgeoisie’ en ‘proletariaat’ niet hopeloos verouderd? Het idee dat deze termen niet meer relevant zijn komt waarschijnlijk deels door de associaties die mensen hebben als ze bourgeoisie of proletariaat horen. De bourgeoisie zijn oude, sigaren rokende fabriekseigenaren, terwijl het proletariaat fabrieksarbeiders zijn. Tegenwoordig werken de meeste mensen in Nederland niet meer in fabrieken, en de moderne CEO kan ook een jonge, hippe man of vrouw zijn. Dus, zo is dan de conclusie, men kan niet meer over bourgeoisie en proletariaat spreken.

Deze redenatie gaat voorbij aan het feit dat deze termen nooit zo bedoeld zijn. Het gaat om de verhouding tot de productiemiddelen, waarmee de niet-menselijke onderdelen van een productieproces bedoeld worden. Denk dan aan fabrieken, kantoren, grondstoffen, infrastructuur, transportmiddelen en alle andere middelen die nodig zijn om de goederen en diensten te produceren die mensen nodig hebben. 

De bourgeois of kapitalist is iemand die eigenaar is van productiemiddelen en arbeiders aanneemt om met die productiemiddelen goederen en diensten te produceren. De arbeiders zijn degenen die zelf geen productiemiddelen bezitten maar om hun brood te verdienen in loondienst zijn bij de kapitalist. De arbeiders verkopen dus hun vermogen om te werken (hun arbeidskracht) aan de kapitalist.

Hier zien we dat deze verhoudingen wel te vergelijken zijn met die uit de tijd van Marx, Engels en later Lenin. Ook nu nog zijn er mensen die hun arbeidskracht verkopen, omdat ze anders hun behoeftes niet kunnen betalen, of deze nou onderdak, eten of vermaak zijn. Ook nu nog zijn er mensen die deze arbeidskracht kopen. We zien dus dat het niet uitmaakt of de proletariër in een fabriek werkt of in een restaurant, in een mijn of in een softwarebedrijf. Evenzo zien we dat het niet uitmaakt of een kapitalist de fabriek of het restaurant, de mijn of het softwarebedrijf bezit. De verhoudingen tot de productiemiddelen zijn hetzelfde gebleven.

Nog steeds vertegenwoordigt de staat de belangen van de heersende klasse, de kapitalisten. Dat is goed te zien in tijden van economische crisis zoals vandaag, waarbij de werkende klasse met werkloosheid en verslechterde arbeidsvoorwaarden wordt geconfronteerd, terwijl het grootkapitaal miljarden aan staatssteun krijgt. Daarmee wordt geprobeerd de kosten van de crisis af te wenden op de werkende klasse.

 

Staat en democratie

Dit is echter nog geen bewijs van Lenin’s gelijk. Want is het niet zo dat we in Nederland nu een goedwerkende democratie hebben, die ervoor zorgt dat je niet zomaar kan zeggen dat een klasse de andere onderdrukt? Misschien zijn het zelfs de werkers die de bazen onderdrukken, omdat zij vele malen meer stemmen hebben! Deze manier van denken is helaas te simplistisch, en gaat voorbij aan de werking van de staat onder kapitalisme.

Ook het bestaan van een, op papier tenminste, goed werkende democratie is geen bewijs dat de staat geen onderdrukkende rol heeft. Zo zien we dat in een grote groep landen wereldwijd, maar zeker in Europa, de rechten van de werkende klasse (de ‘verzorgingsstaat’) stukje bij beetje wordt afgebroken. Nu kan je natuurlijk denken dat dit komt door het stemgedrag van het volk. Is het echter niet opmerkelijk dat de kabinetten Rutte een vergelijkbaar afbraakbeleid hadden met die van de Franse sociaal-democraat Hollande, of de beweerlijk ‘radicaal-linkse’ Tsipras uit Griekenland?

 Het ‘neoliberalisme’, de naam die wordt gegeven aan de ideologie die de afbraak van de verzorgingsstaat goedpraat, wordt veelal geassocieerd met de Amerikaanse Republikein Reagan, en de Britse conservatief Thatcher. Als wij daarentegen kijken naar de leiders voor Reagan en Thatcher, de Democraat Carter en de Labour-leider Callaghan, zien we dat deze twee eigenlijk het afbraakbeleid begonnen. Of, weer terug in Nederland, zien we dat de PvdA, de Partij voor de Arbeid, in de jaren 90 haar “ideologische veren afschudde”, wat inhield dat ook deze partij afbraakbeleid ging voeren. Meerdere staatsbedrijven werden geprivatiseerd, waaronder de post en de spoorwegen. Zo kreeg het private kapitaal toegang tot deze industrieën, die eerder aan de staat werden overgelaten omdat ze veel kapitaal vergen en er in de decennia na de Tweede Wereldoorlog veel andere sectoren waren waar het kapitaal winstgevend geïnvesteerd kon worden.

Welke les kunnen we uit het voorgaande halen? Het huidige politieke bestel, of het nou partijen zijn die zichzelf als rechts of links beschouwen, hebben de economie niet onder controle. Zijn bedenken enkel beleid wat deze economie en vooral de winsten van het kapitaal draaiende houdt, en de werkende klasse moet het met kruimels doen. Wie controleert de economie wel? Juist, dat zijn nog steeds de kapitalisten.

Wat is dan wel de rol van de verkiezingen in de burgerlijke democratie? Lenin zegt het beknopt: “Een keer in de zoveel jaren beslissen welk lid van de heersende klasse het volk in het parlement onder de duim zal houden en onderdrukken — daarin bestaat het wezen van het burgerlijke parlementarisme, niet alleen in de parlementair-constitutionele monarchieën, maar ook in de meest democratische republieken.”[3]

 

Onze verkiezingen lijken ons veel keus te bieden – zitten er immers momenteel niet maar liefst 13 verschillende partijen in de Tweede Kamer? – maar eigenlijk is het grotendeels een neppe keus. Dat kunnen we ook vandaag zien. In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen in maart 2021 presenteren de politieke partijen hun verkiezingsprogramma’s waarin ze van alles beloven. Al die beloftes verhullen dat er een grote aanval op de rechten en inkomens van de werkende klasse aankomt, onafhankelijk van welke partijen in de regeringen komen. Wat we moeten doen om de uitbuiting echt te stoppen is het afschaffen van klassen, iets wat alleen maar kan als we de kapitalistische verhoudingen vervangen door socialistische.

De socialistische productieverhoudingen zijn gebaseerd op het maatschappelijk eigendom van de productiemiddelen, wat dus wil zeggen dat de bedrijven niet in handen zijn van private eigenaren, de kapitalisten, maar in handen van de maatschappij als geheel. Op die basis kan de productie van de producten die mensen nodig hebben en de ontwikkeling van de sectoren in de economie centraal gepland worden op basis van wat mensen nodig hebben, i.p.v. wat de meeste winst oplevert.

 

De verzorgingsstaat

Veel Europese landen, met name die in Scandinavië, staan erom bekend dat ze een goed functionerende verzorgingsstaat hebben, die ervoor zou zorgen dat (bijna) niemand in armoede hoeft te leven, en dat iedereen, rijk of arm, toegang heeft tot de zorg. Ook in Nederland en andere landen van Europa zou in de decennia na de Tweede Wereldoorlog een verzorgingsstaat zijn opgebouwd. Laat dat niet zien dat er een vorm van kapitalisme mogelijk is, waarin de staat een positieve rol speelt voor de arbeidersklasse? Is het misschien toch mogelijk dat de staat voor klassenverzoening zorgt?

De realiteit is dat ook in de Scandinavische landen armoede en afbraak van sociale rechten een steeds groter probleem is, en dat ook in de voorgaande decennia de problemen die het kapitalisme met zich meebrengt zoals armoede en uitbuiting nooit weg zijn geweest. Wat wij niet moeten vergeten is dat alle rechten die de arbeidersklasse heeft, of het nou gaat om het weekend, de 40-urige werkweek, toegang tot de zorg, etc, gewonnen zijn via strijd. Het is niet zo dat politici opeens dachten “laten wij de werkers in ons land voor de verandering iets cadeau doen!” Via stakingen, demonstraties en andere vormen van strijd heeft de arbeidersklasse de rechten voor zichzelf bij elkaar geknokt.

Het bestaan van de Sovjet-Unie en andere landen waarin het socialisme werd opgebouwd, waarin de arbeidersklasse voor het eerst rechten kreeg die zij in het kapitalisme nooit gekend heeft, gaf ook een impuls aan de arbeidersbeweging en oefende druk uit op de kapitalistische staten. De burgerlijke staat werkt hier dus niet zozeer als verzoener, maar als rem op het uitbreiden van de rechten van de arbeidersklasse, en zodra de krachtsverhoudingen veranderen worden de rechten van de arbeidersklasse in rap tempo afgebroken. 

 

Conclusie

De klassenanalyse van de staat die Lenin toepast in Staat en Revolutie is nog steeds relevant. Dankzij die analyse kunnen we zien dat de staat niet zomaar onze vriend is, die ons beschermt. Sterker nog, de huidige (burgerlijke) staat is zelfs verantwoordelijk voor het in standhouden van de uitbuitende verhoudingen van het kapitalisme, iets wat burgerlijke economen zoals Stiglitz niet kunnen of willen inzien. Juist in deze cruciale tijden, met een pandemie die voor chaos en onrust zorgt, moeten we alert zijn op de staat.  Bedrijven krijgen miljarden aan steun, terwijl ze alsnog hun werkers mogen ontslaan. De staat laat weer zien aan wiens kant hij staat.

Maar deze klassenanalyse is zeker niet alles wat in Staat en Revolutie voorkomt. Een kritiek op de opportunisten en reformisten die het marxisme verdraaien, een kritiek op de anarchisten en hun utopische idealen, de overgang tussen socialisme en communisme, en nog meer. Bij dit alles is het belangrijk om te bedenken in welke context Lenin het schreef, en in welke context wij nu leven. Alleen dan zorg je ervoor dat Lenin’s leer geen dogma is, maar een levende theorie die ons helpt in de strijd om ons te bevrijden. 

Lees Lenin!

 

[1] nos.nl/nieuwsuur/artikel/2333532-marktdenken-heeft-het-vermogen-om-op-de-crisis-te-reageren-ondermijnd.html

[2] vvd.nl/content/uploads/2020/11/Verkiezingsprogramma-concept-VVD-2021-2025.pdf

[3] Hoofdstuk 3, Staat en Revolutie, Lenin.   marxists.org/nederlands/lenin/1917/staat-revolutie/ch03.htm